De Verschillende bevolkingsgroepen van Suriname

Inleiding
Mijn naam is Asha
Kasi, voor het vak geschiedenis heb ik een opdracht gekregen om een werkstuk te
maken.
Ik kwam op het idee
om over het onderwerp “De verschillende bevolkingsgroepen van Suriname” te
schrijven, omdat ik zelf uit Suriname kom. Ik het leuk vind om hier iets over te
schrijven, en zodat degene die dit werkstuk leest iets over deze
bevolkingsgroepen kan leren.
Indianen
De oorspronkelijke
bewoners van Suriname vormen tegenwoordig een kleine groep binnen de Surinaamse
samenleving. Ondanks hun geringe omvang laten zij duidelijk van zich horen. De
eigen identiteit wordt steeds belangrijker voor de Surinaamse indianen.
Over de
geschiedenis van de indianen en hun verschillende stammen is weinig bekend. Pas
in de 20ste eeuw nam de belangstelling toe, maar een groot deel van
de geschiedenis was toen al verloren gegaan. Ook kregen de eerste onderzoekers
wel eens verhalen te horen die voortsproten uit de fantasie van de vertellers.
De gebroeders Penard deden in hun boek “De Mensch-etende aanbidders” van de
Zonneslang uitgebreid verslag van indianen die `s nachts de gedaante van een
dier aannamen. Zij hadden dit opgetekend tijdens gesprekken met de indianen. Een
van de vertellers heeft later bekend dat deze verhalen slechts fantasie waren en
dat de indianen onderling veel plezier hebben gehad over de goedgelovigheid van
de Europese onderzoekers. Toen alonso de Hojeda rond 1500 langs de kust van
Suriname voer, leefde daar een groot aantal indianen. Er kan niet met zekerheid
gezegd worden hoeveel inwoners Suriname in die tijd had, maar het moeten er
enkele tienduizenden zijn geweest. Aan de kust woonden de Caraïben en de
Arowakken. Verder in het binnenland moeten andere stammen hebben geleefd. De
eerste bezoekers van Suriname hebben daar nooit melding van gedaan, omdat zij
hun woonplaatsen tot de kuststreek beperkten.
Indiaanse
stammen:
Er zijn geen
duidelijke statistieken over de aantal indianen in Suriname. De redenen hiervoor
is dat de indianen vaak geen vaste woonplaats hebben en ze doen vaak geen
aangifte van geboorte bij het bevolkingsregister. Volgens het Algemeen Bureau
voor de Statistiek waren er in 1991 12.480 indianen in Suriname, een kleine 5%
van de totale bevolking.
Een gebruikelijke
indeling van de stammen is een verdeling in benedenlandse indianen en
bovenlandse indianen. De benedenlandse stammen wonen in de kuststreek en de
savannegordel. De stammen die hier wonen zijn Caraïben en Arowakken. Zij zijn
het talrijkst: circa 80% van alle indianen is Caraib en Arowak en de beide
stammen nemen ieder ongeveer de helft van dit aantal voor hun rekening.
De bovenlandse
indianen behoren tot de Trio, Wajana en Akoerio.
Religie:
De kolonisten en
vooral de zendelingen waren mening dat de indianen geen religie hadden. Het is
inderdaad waar dat er binnen de indiaanse godsdienst geen verering van een god
of van meerdere goden plaats vindt. Maar er is wel degelijk een geloof in hogere
machten.Volgens de indiaanse geloofsbeleving zijn er vele goden en geesten, die
zich manifesteren in de natuur. De zon, de maan, de bomen, het water en vele
andere elementen zijn bezield door geesten. Deze geesten kunnen goedwillend of
kwaadaardig zijn en zij moeten door de mens gunstig gestemd worden. De piai of
sjamaan kan in contact treden met de goden, vooral om zieken te genezen. De piai
heet ook wel de dokter van de indianen.Hij of zij heeft een belangrijke
plaats in een indiaanse samenleving. De piai maakt gebruik van rituelen,
bijvoorbeeld door tabaksrook uit te blazen, liederen te zingen of te dansen.
Bosnegers
De bosnegers vormen
een opmerkelijke groep in de Surinaamse samenleving. Zij zijn de afstammelingen
van weggelopen slaven. Het weggelopen van slaven kwam niet alleen in Suriname
voor. Ook in Amerika ontvluchtten slaven het harde bestaan op de plantages.
Suriname is echter een van de weinige landen waar de weggelopen slaven niet zijn
geassimileerd in de rest van de bevolking, maar hun eigen cultuur hebben
behouden. Taal, omgangsvormen, geloof en rituelen zijn geheel anders dan in de
stad.
Weglopen van Surinaamse plantages was erg eenvoudig. De
plantages waren omringd door moerassen of bos, waar een weggelopen slaaf zich
gemakkelijk kon verschuilen. Meestal bleven de weglopers enige tijd in de buurt
van de plantage en hielden zich in leven met producten van kostgrondjes en
diefstal van goederen van de plantage. Sommige waagden zich naar het binnenland
en trokken zuidwaarts langs de grote rivieren. Daar stichtten zij de
gemeenschappen die nu nog steeds bestaan. Niet alle slaven namen zelf het
initiatief tot marronage (het vluchten uit de plantage). De Bosnegers hadden een
groot aantal producten en - ook vrouwen
nodig, dus overvielen ze te plantages en ze namen andere slaven ook mee. In
hoeverre dit goedschiks of tegen de wil van de slaven was, is niet bekend. Als
de weggelopen slaven tijdens bospatrouilles gevangen werden genomen, verklaarden
zij unaniem dat zij waren ontvoerd. De straffen waren dan aanmerkelijk milder
dan bij een vrijwillige marronage.
Bosnegerstammen:
De bosnegervolkeren
(nakomelingen van de marrons) konden zich in de loop der jaren ontwikkelen tot
stabiele gemeenschappen. Tegenwoordig vormen zij zo een 10% van de Surinaamse
bevolking en
leven in gesloten gemeenschappen in het binnenland. Een aantal Bosnegers
heeft zich inmiddels in Paramaribo gevestigd, anderen leven als gastarbeider in
het buurland Frans-Guyana. De grootste groepen Bosnegers zijn de Djoeka’s en
de Saramakaners. De Djoeka’s waren de eerste Bosnegers die vrede sloten met
het Gouvernement. Zij worden ook wel Aucaners genoemd, omdat zij achter de
plantage Auca woonden. Hun woongebied ligt langs de oevers van de Marowijne,
Tapanahoni en het de Cottica. De zetel van het grootopperhoofd is gevestigd in
Dritabiki (drietabbetje).
Religie:
Bosnegers geloven in het bestaan van een Opperwezen, “Gaan Gadu” of Grote God. “Gaan Gadu” delegeert zijn macht naar lagere goden en geesten (winti) die invloed uitoefenen op de mensen. De winti is overal, zij manifesteren zich in; water, bomen, dieren en bepaalde voorwerpen. Het is van groot belang om de wensen van de goden te kennen, want anders kunnen zij zich tegen de mens keren. Zo is bekend dat de granmans (opperhoofd) uit Suriname tijdens een bezoek aan Afrika, het land van hun voorouders, een heilige amulet niet wilden aannemen. Het cadeau werd wel op prijs gesteld, maar zij kenden de kracht niet en vreesde de invloed.

Bosnegerhutje bij een kostgrondje in het binnenland. Aan de rechterkant zie je een rijst stamper.
Creolen
De creolen vormen zo een 30% van de bevolking van Suriname. Hoewel zij niet meer het merendeel vormen van de bevolking, zijn zij wel gezichtsbepalend . Het woord creool is afgeleid van de Portugese crioulo wat betekent `in huis geboren`of `eigen kweek`. De creolen onderscheiden zich van de uit Afrika aangevoerde slaven, die `zoutwaternegers` werden genoemd. In Suriname worden deze groep mensen geen “NEGERS” genoemd, omdat het als een belediging wordt ervaren.

Een boslandcreool
aan de afwas op Kumalu
De geschiedenis van
de creolen in Suriname begint bij de komst van de zoutwaternegers uit Afrika die
op de plantages te werk werden gesteld. Toen de slavernij in 1863 werd
afgeschaft, waren er ongeveer 350.000 negers naar Suriname gebracht. Het aantal
creolen ten tijde van de afschaffing was slechts 33.000. De slavenbevolking
kende geen natuurlijke groei. De behandeling op de plantages was slecht, de
onderkomens waren ongezond en de voeding volstrekt ontoereikend voor het zware
werk. De emancipatie van de slavenbevolking was gedurende lange tijd
tegengegaan, zowel in de kolonie als in het moederland.
In Nederland kwam de discussie over de slavernij pas op gang, nadat het boek De negerhut van oom Tom in het Nederlands was vertaald. Het duurde nog tot 1863 voordat de slavernij daadwerkelijk werd afgeschaft. De creolen waren daarna nog verplicht om tien jaar onder staatstoezicht te werken op een plantage. Velen hielden zich hier niet aan en trokken naar Paramaribo. Nadat de periode van staatstoezicht was afgelopen steeg het aantal creolen in Paramaribo nog verder.
Religie:
Al in 1683 zette de
katholieke missie haar eerste stap op het zendingspad in Suriname. Gouverneur
Van Sommelsdijck, een zeer vrijzinnig man, had toestemming gegeven. De eerste
missionarissen hadden echter weinig geluk in de kolonie. Al een paar jaar na hun
komst in Suriname overleden zij aan tropische ziekten. Het moederland werd pas
later op de hoogte gesteld van de gouverneur’s katholieke missie in Suriname.
Het protestante Nederland gaf onmiddellijk opdracht aan Van Sommelsdijck
om de katholieke geestelijken uit de kolonie te zetten. De gepikeerde
gouverneur liet toen de lijken van de katholieke paters opgraven en stuurde die
op naar Nederland. De katholieke missie bleef echter aanwezig en ondanks alle
tegenslagen nam het aantal katholieken in Suriname toe . Veel creolen zijn
katholiek.

Hindoestanen
Op 5 juni 1873
arriveerde het zeilschip “Lalla Rookh” in Suriname, aan boord bevonden zich
399 Brits-Indische contractarbeiders die op de plantages de plaats in moesten
nemen van de vrije slaven. De Hindoestanen bevolking bleek in staat om in korte
tijd een belangrijke plaats in de Surinaamse samenleving te kunnen verwerven.
Zowel in aantal als in maatschappelijk opzicht is de Hindoestaan niet meer weg
te denken.

Divali,
het is een hindoestaanse feestdag. Op die dag worden er lichtjes aangestoken. En
er wordt dan vegetarische eten gekookt . Het is als het ware nieuwjaar voor de
Hindoestanen.
Het was niet verwonderlijk dat het Surinaamse Gouvernement zijn oog liet vallen op Brits-Indische contractarbeiders. Frans en Brits Guyana waren Suriname voorgegaan in de afschaffing van de slavernij en de beide koloniën boekten goede resultaten met Hindoestaanse arbeiders. Vlak voor het einde van de tienjarige periode van Staatstoezicht, sloot de Nederlandse regering een traktaat (overeenkomst) met Engeland, waarin de werving van Brits-Indische arbeiders werd geregeld. De werving in Brits-Indie werd verricht door een emigratieagent, die onder toezicht stond van een Brits-Indische “protector of emigrants”. De emigratieagent stelde subagenten aan die op hun beurt weer wervers in dienst namen. Op papier waren de zaken uitstekend geregeld; de emigrant moest op de hoogte zijn van de aard van het werk, hij/zij moest medisch gekeurd zijn en uit vrije beweging emigreren. In de praktijk pakte dat anders uit. De wervers kregen per geworven emigrant(e) een bepaald bedrag en waren dus gebaat bij een groot aantal emigranten. De fantastische verhalen over Suriname waren voor veel mensen voldoende aanleiding om de stap naar de Nederlandse kolonie te wagen. Armoede, gebrek aan grond, familietwisten, problemen met justitie of behoefte aan avontuur waren die voornaamste redenen om het geboorteland (India) te verlaten en gedurende vijf jaar in het verre Suriname te gaan werken. In 1916 kwam het laatste schip met Hindoestaanse contractarbeiders naar Suriname. De Nationalistische Beweging in India was fel gekant tegen het systeem van contractarbeid, dat zij als een belediging beschouwde. De Engelse regering besloot toen het traktaat met Nederland op te zeggen.
Religie:
In religieus
opzicht kan de Hindoestaanse bevolking
in drie groepen worden verdeeld. Er is een kleine groep christenen, circa 20% is
islamiet, maar het merendeel is hindoe. Binnen de groep van Hindoes is weer een
tweedeling mogelijk: de orthodoxe Sanatan Dharm (eeuwige, allesomvattende wet)
en de arya Samaj ( vereniging van edelmoedige mensen) . De laatste groep is
gebaseerd op de ideeën van de hervormer Swami Dayanan. De Arya Samaj ontkennen
het bestaan van een kastensysteem en verbieden de verering van beelden. De
Hindoe epos gelooft in één grote god, die zich kan manifesteren in vele
gedaanten. De belangrijkste goden zijn Brahma (de schepper), Vishnu (de
onderhouder) en Shiva (de vernietiger). Rama is een van de verschijningsvorm van
Vishnu, die vele malen op aarde is geweest om het kwaad uit te roeien. De
Ramayana verteld het verhaal van de belevenissen van Rama en zijn leven op
aarde. Dit epos heeft in Suriname zo`n belangrijke functie dat veel
hindoes de Ramayana als hun bijbel beschouwen. Een van de dienaren van
Rama is Hanuman, die het uiterlijk van een aap heeft. De kleine vlaggetjes aan
lange bamboestokken, die u aantreft voor het huis van orthodoxe hindoes, zijn
ter verering van deze god.

Het
huis van een orthodoxe hindoe, is herkenbaar aan de lange stokken met
vlaggetjes.
Javanen
De komst van de
Javaanse contractarbeiders in Suriname betekende een bevrijding voor de
Hindoestaanse
immigranten; nu waren zij niet meer de laagste klasse van de samenleving. Die
plaats werd ingenomen door de Javanen. Nog steeds heeft de Javaanse
gemeenschap een achterstand in politiek, economisch en sociaal opzicht.
Maar hoewel hun positie bescheiden is, zijn de Javanen nadrukkelijk aanwezig in
Suriname. De Javaanse keuken is alom geliefd, traditionele Javaanse geneeswijzen
krijgen nationaal erkenning en batikkleding wint aan populariteit.
In 1890 meerde het S.S. Prins Alexander aan in de haven van
Paramaribo. Aan boord waren 44 Javaanse contractarbeiders, die tewerkgesteld
werden op de plantages Marienburg. De plantage eigenaren beschouwden het als een
proefzending. Met de komst van Javaanse arbeiders wilden zij hun afhankelijkheid
van de Brits-Indische contractarbeiders verminderen. Deze bleven namelijk Brits
onderdaan en stonden onder bescherming van de Britse Consul. De proef bleek
succesvol en tot 1939 werden ruim 32.000 Javanen naar Suriname gebracht om te
werken op de plantages.
Net als de Hindoestanen waren de Javanen erg teleurgesteld in
het leven dat hun in Suriname ten deel viel. Velen waren de armoede in
Nederlands-indie ontvlucht en
hoopten op rijkdom en “tanah sabrang”,
het land aan de overzijde. De werkelijkheid was anders. De plantagehouders
konden met moeite hun bedrijf draaiende houden en de lonen waren vaak de
sluitpost op de begroting. Ook huisvesting en gezondheidszorg waren verre van
optimaal. De Javaanse immigranten waren weggerukt uit hun traditionele
dorpssamenlevingen.Van sociale controle door ouderen en familie was geen sprake
meer. De Javanen voelde zich geheel gedesoriënteerd en vaak vluchtten zij in
alcohol en gokken. Ook de samenstelling van de bevolkingsgroep was aanleiding
voor onrust. Heet aantal mannen vertrof het aantal vrouwen vele malen, wat
leidde tot gevechten om vrouwen, prostitutie en geslachtsziekten. De Javaanse
immigranten voelden zich vaak verloren in de vijandige samenleving die zij
troffen. Ze kwamen uit de armste bevolkingsgroepen op Java, waren meestal
analfabeet en spraken alleen Javaans. Voor de Creolen waren zij domme
“Jampanesi”. Spaarzame en zuinige Hindoestanen keken ook neer op de
Javaanse levensstijl, die op voor hen losbandig en verkwistend overkwam.
Het Gouvernement
had wel een assimilatieplan uitgestippeld, maar die sloeg niet aan onder de
Javanen. Onderwijs, het middel bij uitstek om de integratie in de samenleving e
bevorderen, vonden de meeste Javaanse ouders niet belangrijk. Ook praktische
omstandigheden, zoals een grote afstand tussen school en ouderlijk huis,
verhinderenden naleving van de leerplicht. De Javanen bleven lange tijd een
aparte groep binnen Suriname vormen, een groep die als grootste wens had om naar
Indonesië terug te keren.
Terugkeer:
Veel Javaanse
contractarbeiders droomden van een terugkeer naar hun geboorteland. Toch maakten
slechts 25% van de contractanten gebruik van hun recht op een vrije terugtocht.
Een belangrijke reden om in Suriname te blijven was schaamte. De
contractarbeiders hadden niet de rijkdom vergaard die zij van tevoren gedacht
hadden en zij durfden niet terug te gaan naar hun dorp. De hoop op terugkeer
verklaart de grote populariteit van Anton de Kom onder de Javaanse bevolking.
Aanton de Kom was de zoon van een
kleinlandbouwer en gouddelver. In 1920 ging hij naar Nederland, waar hij in
contact kwam meet de Indonesische nationalisten die streden voor een
onafhankelijk Nederlands-Indië . Hij werd door hen geïnspireerd en schreef
revolutionaire artikel in Nederlandse kranten. In 1932 keerde hij terug naar
Suriname wegens een stergeval in de familie. Zijn zoon was hem al vooruit
gesneld en bij aankomst stond een menigte hem op te wachten. De Kom opende in
Paramaribo een adviesbureau voor ontevreden Surinamers. Iedereen vond bij hem
een luisterend oor, vooral zijn kritiek op loonverlaging van de Javaanse
contractarbeiders maakte hem populair onder de Javanen. Er gingen verhalen rond
dat De Kom boten naar Java zou regelen. Veel Javanen verkochten hun bezittingen
en trokken naar Paramaribo in afwachting van de boot die hen naar hun
geboorteland zou brengen. Maar die boot kwam niet en velen gingen berooid weer
terug naar het platteland.
Religie:
Javanen zijn bijna
allemaal islamiet. Degenen die overgingen tot christelijk geloof (circa 7%)
worden niet meer als Javaan beschouwd. Binnen de islamitische gemeenschap zijn
twee groepen te onderscheiden: de oostbidders en de westbidders.

De
grote moskee aan de Keizerstraat is een van de nieuwste islamitische
gebedshuizen in Paramaribo.
Overige
bevolkingsgroepen
Naast de vijf grote
bevolkingsgroepen kent Suriname nog een aantal kleinere groepen. Deze zijn
wellicht minder in aantal, maar hebben eveneens een duidelijke plaats binnen de
Surinaamse samenleving.
Joden
De geschiedenis van
de joodse kolonisten in de Nieuwe wereld gaat terug tot de eerste helft van de
17de eeuw . Er is sprake van een vestiging van Hollandse joden in
1632 aan de Boven –Suriname, maar dit is niet met zekerheid te zeggen. Toen
Lord Willoughby zich in 1652 in Suriname vestigde, nam hij een aantal joodse
kolonisten uit Barbados mee. In 1664 kregen de eerste kolonisten gezelschap van
Portugese joden uit Brazilië. Deze joden hadden zich oorspronkelijk gevestigd
in Pernambuco aan de kust van Brazilië, dat in handen van de Hollanders was.
Toen Pernambuco werd heroverd door de Portugezen, trokken zij naar een
vrijzinnig klimaat waar zij hun eigen religie konden blijven beoefenen. Met de
komst van
de Fransen naar Guyana trokken zij weer verder westelijk naar Suriname.
De joden werden met open armen in Suriname ontvangen. De kolonie, toen in
Engelse handen, had grote behoefte aan kolonisten en de joden hadden al ruime
ervaringen opgedaan in de plantagelandbouw. De joden kregen van de Engelsen het
recht op een eigen schutterij, een synagoge en een school. Een recht dat ook
onder het Nederlands bestuur gehandhaafd bleef.
De joodse kolonisten vestigden zich voornamelijk bij Jodensavanna ten noorden
van Paramaribo.

Dit
is een synagoge ,en staat aan de Keizerstraat vlak naast de moskee.
Een aantal decennia
later arriveerde uit Polen en Rusland gevluchte joden in de Surinaamse kolonie.
Aanvankelijk sloten deze Hoogduitse joden zich aan bij de Portugese joden. Na
interne conflicten stichtten beide groepen hun eigen gebedshuis : de Portugees
–joodse synagoge aan de
Heerenstraat en de Hoogduitse synagoge aan de Gravenstraat. Het centrum van de
joodse samenleving was toen al van Jodensavanna veerschoven naar Paramaribo.
Chinezen
Nog voor de komst
van de Hindoestaanse immigranten,
werden Chinese contractarbeiders naar Suriname gehaald. In 1853 kwam de eerste
groep Chinezen aan, die afkomstig waren uit Java. De Chinese immigratie duurde
tot 1870 met Hongkong als belangrijkste wervingsplaats. Daarna legde de Engelse
regering een verbod op contactimmigratie. Suriname was toen ook niet meer geïnteresseerd
in contractanten uit China. Chinezen waren, vergeleken bij Hindoestanen, erg
duur en ze bleven niet werken in de landbouw. Velen begonnen een winkel direct
na afloop van de vijfjarige contractperiode. Ook nu nog is een groot deel van de
levensmiddelenwinkels in handen van Chinezen. De Chinese winkels is de
aanduiding voor een kleine of middelgrote kruidenierszaak in Suriname, ook al is
een Hindoestaan of Creool eigenaar
van de winkel. Ook Chinese restaurants zijn alom vertegenwoordigd in Suriname.
Hoewel
contractimmigratie is 1853 werd verboden, is de vrijwillige immigratie van
Chinezen eigenlijk nooit gestopt. Nog steeds laten veel Chinezen hun
familieleden naar Suriname komen om te assisteren in de winkel of in de het
restaurant . Na een korte inwerkperiode beginnen deze nieuwelingen hun eigen
zaakje.Chinezen vormen een hechte gemeenschap met eigen verenigingen, een eigen
krant en eigen gebruiken. Maar een groot deel van de Chinese groep is geïntegreerd
in de Surinaamse samenleving. Chinese ouders laten hun kinderen graag studeren,
waardoor de bevolkingsgroep nu ook vertegenwoordigd is in de intellectuele
beroepen.
Libanezen
De libanezen
vormen een kleine groep in Suriname. Ze houden zich voornamelijk bezig
met handel, in het bijzonder de textielhandel. Ondanks hun geringe aantal hebben
zij zich nadrukkelijk gemanifesteerd als economische succesvolle importeurs en
detaillisten van textiel. Libanezen hebben
zich altijd gekenmerkt door een grote mondiale trek. Zij zijn in dit opzicht
vergelijkbaar met Chinezen en Joden, die zich eveneens overal ter wereld hebben
gevestigd. Een klein gedeelte van de Libanese migranten kwam rond 1890 terecht
in Suriname. Deze Libanezen waren vooral afkomstig uit het dorp Bazhoen, een
christelijk dorp. In Suriname sloten zij zich aan bij de rooms-katholieke kerk.
Toen de Libanezen in Suriname arriveerden was het economische leven reeds verdeeld over de verschillende bevolkingsgroepen : de grote importhandel was in handen van Europeanen en joden , de detailhandel werd beheerst door Chinezen. De libanezen richtte zich toen op de textielbranche, een sector waarin zij zeer succesvolle bleken. Winkels als “Beirouth Bazaar” en “Moussi Issa” staan nog steeds symbool voor de Libanese textielhandel. Aanvankelijk vormden de Libanezen een hechte groep, waarvan de leden elkaar hielpen in het economisch leven. Ook huwelijken werden binnen de eigen gemeenschap gesloten. Dat is inmiddels veranderd. De Libanezen hebben geen uitgesproken culturele achtergrond en zijn volledig geïntegreerd en de Surinaamse samenleving. Toch zijn zij nog altijd een zichtbare groep door hun oververtegenwoordiging in de textielsector en hun relatieve welvaart.
Boeroes
Boeroes zijn de
afstammelingen van Nederlandse boeren die halverwege de 19de eeuw
naar Suriname zijn geëmigreerd . Het Gouvernement zag zich in die tijd
geconfronteerd met de mogelijke afschaffing van de slavernij, waardoor een
tekort aan arbeiderskrachten zou ontstaan. Daarnaast wilden zij het Europese
karakter van Suriname versterken. Een volksplanting van Nederlandse boeren leek
daarom een uitstekend idee. In 1845 kwam het eerste schip in Paramaribo aan, met
aan boor 17 gezinnen, Later volgde nog een andere groep met 12 gezinnen, waarmee
het totale aantal boeren op 400 kwam. De boeren kregen grond toegewezen rond het
dorpje Groningen in het district Saramacca. Maar de grond was niet in cultuur
gebracht, de huizen waren onafgebouwd en gereedschappen, levensmiddelen en
drinkwater waren niet aanwezig. Toen er ook de nog een epidemie uitbrak onder de
Nederlandse kolonisten, leek de volksplanting mislukt. Meer dan de helft van de
Nederlandse boeren kwam te overlijden. Een kleine groep vestigde zich daarna
rond Paramaribo. Met de producten van hun landbouwbedrijven voorzagen zij
Paramaribo van groente en fruit. Maar de boeroes verloor de concurrentieslag met
de Hindoestanen. Zij bleken echter een ander kostbaar bezit te hebben: grond
rond Paramaribo. Toen Paramaribo zich uitbreidde, verkavelden de boeroes hun
land en verkochten het met grote winst aan de inwoners van Paramaibo. Nog steeds
herinneren de namen van deze buurten aan hun vroegere bezitters, zoals Land van
Dijk, Stolkbuiten en Van Engelbuiten.
Conclusie
Suriname heeft een
multiculturele samenleving en dat is heel goed te merken in de Surinaamse
keuken. In Nederland zijn ze goed op weg, naar die multiculturele samenleving.
Andere culturen zijn eerder een verrijking voor de bestaande culturen dan wat de
rechtse populisten willen doen voorkomen.
Bronvermelding
1. Het boek:
Surinamers
2. Het boek:
Geschiedenis van Suriname
3. Internet: http://www.websitemaker.nl/surinamevakantiepagina.htm
2002